Buiten polders en wateringen: 2de en 3de categorie en niet meer geklasseerde waterlopen

Het aanbrengen van beplantingen en constructies of het herstellen daarvan, binnen een afstand van drie meter van een waterloop, is verboden zonder schriftelijke vergunning van het gemeentebestuur (artikelen 15 t.e.m. 17 van het provinciaal reglement van 27 mei 1955 betreffende de onbevaarbare waterlopen waarop de wet van 15 maart 1950 niet toepasselijk is). Bij het verlenen van die vergunning moet de gemeente erover waken dat het onderhoud van de waterloop in kwestie niet in het gedrang komt. Behalve voor de niet meer geklasseerde waterlopen, hebben de aanpalenden immers de plicht doorgang te verlenen voor de machines, de werklieden en personeelsleden van het bestuur, die moeten instaan voor die werken. Zij moeten op hun gronden, binnen de vijf meter van de beek, ook het uit de waterloop gehaalde slib en andere voorwerpen aanvaarden, indien die niet schadelijk zijn (art. 17 van de wet betreffende de onbevaarbare waterlopen van 28 december 1967).

Wanneer het provinciebestuur in het kader van een vergunningsprocedure om advies gevraagd wordt, zal dit in principe dan ook steeds negatief zijn voor beplanting binnen die 5 meterzone, indien het onderhoud van de beek in het gedrang kan komen. Hoogstambomen kunnen wel aanvaard worden, mits die op een voldoende afstand van elkaar worden geplant. De praktijk heeft uitgewezen dat het aan te raden is voor hoogstambomen een tussenruimte te respecteren van 10 meter. Indien daartussen struikgewas wordt aangeplant, zal gevraagd worden om deze struiken tijdig af te zetten wanneer onderhoudswerken zullen worden uitgevoerd.